Logo Gat in de Tijd



Zoek in Archief



Feuilleton

Crime and Punishment


1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Pagina 1 van 472

CRIME AND PUNISHMENT PART I CHAPTER I On an exceptionally hot evening early in July a young man came out of the garret in which he lodged in S. Place and walked slowly, as though in hesitation, towards K. bridge. He had successfully avoided meeting his landlady on the staircase. His garret was under the roof of a high, five-storied house and was more like a cupboard than a room. The landlady who provided him with garret, dinners, and attendance, lived on the floor below, and every time he went out he was obliged to pass her kitchen, the door of which invariably stood open. And each time he passed, the young man had a sick, frightened feeling, which made him scowl and feel ashamed. He was hopelessly in debt to his landlady, and was afraid of meeting her. This was not because he was cowardly and abject, quite the contrary; but for some time past he had been in an overstrained irritable condition, verging on hypochondria. He had become so completely absorbed in himself, and isolated from his fellows that he dreaded meeting, not only his landlady, but anyone at all. He was crushed by poverty, but the anxieties of his position had of late ceased to weigh upon him. He had given up attending to matters of practical importance; he had lost all desire to do so. Nothing that any landlady could do had a real terror for him. But to be stopped on the stairs, to be forced to listen to her trivial, irrelevant gossip, to pestering demands for payment, threats and complaints, and to rack his brains for excuses, to prevaricate, to lie--no, rather than that, he would creep down the stairs like a cat and slip out unseen. This evening, however, on coming out into the street, he became acutely aware of his fears. "I want to attempt a thing _like that_ and am frightened by these trifles," he thought, with an odd smile. "Hm... yes, all is in a man's hands and he lets it all slip from cowardice, that's an axiom. It would be interesting to know what it is men are most afraid of. Taking a new step, uttering a new word is what they fear most.... But I am talking too much. It's because I chatter that


Consensus in de polder?


Harmonie in Holland. Het poldermodel van 1500 tot nu
Dennis Bos e.a.
Uitgeverij Bert Bakker; €19,95 235 p.
ISBN 978-90-351-3149-1

Bestaat het befaamde Nederlandse ‘poldermodel’ wel? Deze vraag wordt in Harmonie in Holland door elf Nederlandse historici gesteld. De term werd in 1990 voor het eerst in een artikel gebruikt om het traditionele Nederlandse systeem van ‘gedecentraliseerd bestuur en coöperatieve vormen’ samen te vatten, waarna het al gauw werd aangehaald om de Nederlands compromis- en overlegcultuur aan te duiden en tussen 1997 en 2000 veelvuldig werd gebruikt. Na het wegebben van deze hype, is het uit historisch oogpunt zeer interessant om te kijken of het ‘poldermodel’ - een bestuurlijk systeem dat gebaseerd is op onder andere vreedzaam overleg en een basis van gelijkheid tussen de onderhandelaars - eigenlijk wel een traditioneel Nederlands verschijnsel is of was.

Beginnend in 1492 wordt er in negen essays een periode van ruim 450 jaar bestuur in verschillende Nederlandse organen besproken. Niet enkel de regering komt meermalen aan bod, ook worden essentiële instituties als de VOC en de Nederlandse universiteiten besproken en wordt de rol van volksopinie in het bestuur bekeken.
Het onderzoek begint in 1492, met een essay dat, jawel, gaat over het beleid in een poldergebied in de Hoeksche Waard, ten zuidwesten van Dordrecht. Hier zou het woord ‘polderen’ haar oorsprong vinden: door de eeuwenlange strijd van Nederland tegen het water zou men zich verbonden voelen met elkaar en geneigd zijn niet door strijd tot besluiten te komen, maar juist door eendracht en samenwerking.
Als dit poldermodel dan zo typisch Nederlands zou zijn, hoe zat het dan elders? In de volgende drie hoofdstukken wordt gekeken naar het bestuur en handelen in andere landen. Hoewel intrigerend leveren deze hoofdstukken weinig houvast voor het antwoord op de hoofdvraag die het boek stelt.
Op dit vlak schitteren de stukken van Judith Pollman en Charles Jeurgens, die schrijven over respectievelijk het belang van en het streven naar eendracht in de Republiek en het onderzoek naar sporen over de consensuspolitiek. Beide hoofdstukken gaan dieper in op het poldermodel en behandelen niet zozeer symptomen ervan, maar de ware aard van het ontstaan van een verlangen naar consensus en gelijkwaardige belangenbehartiging in de Nederlanden door de eeuwen heen.
Er spreken nog drie hoofdstukken over het Nederlandse polderen in de 20e eeuw, welke een zowel komisch als intrigerend beeld oproepen van onder andere heethoofdige Marxisten en de polarisatie tussen fascistische en democratische partijen.
Tot slot bevat het boek nog een hoofdstuk dat gaat over conflict en consensus in de universiteiten in de Middeleeuwen in het algemeen en de universiteit van Leiden in het bijzonder. Hoewel het ietwat gefragmenteerd is geschreven, levert het een aangename afwisseling op de andere, veelal sterk afgebakende essays die het boek rijk is.

Hoewel de essays in Harmonie in Holland net zo afwisselend zijn als de verschillende politieke besturen waar ons land onder heeft gefloreerd en geleden, hebben zij enkele eigenschappen gemeen: ze zijn allen vlot en boeiend geschreven, gericht op lezers van de leek tot de gepromoveerde historicus, en leveren een bijdrage aan de doorgronding van een concept dat voor veel Nederlanders op het eerste oog vanzelfsprekend lijkt, maar dit absoluut niet is. De goede balans tussen de hoofdstukken levert aan het eind van het boek een bevredigende conclusie over een ogenschijnlijk typisch Nederlands verschijnsel. Een aanrader dus voor zowel critici van het Nederlandse beleid als voorstanders hiervan.

Roland Bertens, 2 juli 2009