Logo Gat in de Tijd



Zoek in Archief



Feuilleton

Crime and Punishment


1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Pagina 1 van 472

CRIME AND PUNISHMENT PART I CHAPTER I On an exceptionally hot evening early in July a young man came out of the garret in which he lodged in S. Place and walked slowly, as though in hesitation, towards K. bridge. He had successfully avoided meeting his landlady on the staircase. His garret was under the roof of a high, five-storied house and was more like a cupboard than a room. The landlady who provided him with garret, dinners, and attendance, lived on the floor below, and every time he went out he was obliged to pass her kitchen, the door of which invariably stood open. And each time he passed, the young man had a sick, frightened feeling, which made him scowl and feel ashamed. He was hopelessly in debt to his landlady, and was afraid of meeting her. This was not because he was cowardly and abject, quite the contrary; but for some time past he had been in an overstrained irritable condition, verging on hypochondria. He had become so completely absorbed in himself, and isolated from his fellows that he dreaded meeting, not only his landlady, but anyone at all. He was crushed by poverty, but the anxieties of his position had of late ceased to weigh upon him. He had given up attending to matters of practical importance; he had lost all desire to do so. Nothing that any landlady could do had a real terror for him. But to be stopped on the stairs, to be forced to listen to her trivial, irrelevant gossip, to pestering demands for payment, threats and complaints, and to rack his brains for excuses, to prevaricate, to lie--no, rather than that, he would creep down the stairs like a cat and slip out unseen. This evening, however, on coming out into the street, he became acutely aware of his fears. "I want to attempt a thing _like that_ and am frightened by these trifles," he thought, with an odd smile. "Hm... yes, all is in a man's hands and he lets it all slip from cowardice, that's an axiom. It would be interesting to know what it is men are most afraid of. Taking a new step, uttering a new word is what they fear most.... But I am talking too much. It's because I chatter that


Cor

Hij kwam naast me zitten. Hij stelde zich voor als Cor, zonder dat ik daarom vroeg. Niet eerder was een vreemde naast me op het bankje komen zitten bij de waterkant vlak bij ons huis. Al 2 jaar zat ik daar zomers iedere ochtend met mijn hond Tijn. Tijn snuffelde wat en deed zijn behoefte. De man droeg te warme kleding voor de tijd van het jaar en rook naar alcohol. Hij vroeg me om een Euro, ik zei dat ik dat niet had. De volgende morgen lag Cor languit te slapen op het bankje, voor mij was geen plek. Balend liep ik verder totdat ik hoorde; ´Meisje, kom maar zitten hoor.´ Met wat tegenzin nam ik naast hem plaats. Hij vertelde dat hij vroeger een herdershond had en dat deze net zo braaf was als Tijn. Uit zijn jas haalde hij een leeg omhulzel van een zakje casewnootje en nam de laatste kruimels tot zich. Hij excuseerde zich dat hij me er niet een kon aanbieden.

Cor
Stilzwijgend keken we naar het klotsende water. Hij vroeg me of ik een euro voor hem had, maar weer had ik het niet. Die middag stopte ik zonder er bij na te denken een zakje casewnootjes in mijn boodschappenkar. Ik nam het mee naar het bankje, waar zijn rooddoorlopen ogen begonnen te glinsteren. Hij pakte het aan en binnen enkele minuten was het zakje leeg. Ik vroeg Cor waar hij vandaan kwam. Even bleef hij stil en vertelde me dat het lang geleden was dat iemand dat aan hem gevraagd had. Hij kwam uit Heemstede, woonde daar met zijn vrouw en had een gerenomeerd Accountants kantoor gerund. Na in zee te gaan met een oude vriend was hij alles kwijtgeraakt en daardoor ook zijn vrouw. ´Ze hield van luxe.´ zei hij met een bekakte stem. Ook vroeg hij me om een Euro.

Cor werd een deel van ons ritueel op het bankje. We spraken over zijn leven, over zijn ouders, zijn passie voor zeilboten, zijn reizen naar Azie en Afrika. Elke morgen vroeg hij om een Euro en elke morgen vertelde ik hem dat niet bij me te hebben. Een aantal buurtbewoners vroegen me waarom ik tijd stak in deze vieze zwerver. Ik antwoorde dat deze vieze zwerver een waarschijnlijk mooier en boeiender levensverhaal had, dan onze buurtbewoners met hun herenhuis en BMW voor de deur. Iedere zondagmorgen bracht ik hem een gekookt eitje, op twee witte boterhammen zonder boter, daar hield hij niet van. Hij hielp mij met mijn belastingaangifte en uren hebben we gebadmintont met een setje wat hij op straat had gevonden. Ik verloor altijd.
Een aantal keer liet hij vallen dat hij vroeger kon genieten van de zeelucht. Ik nam hem mee en we dronken koffie op het strand van Bloemendaal. Mensen keken met verafschuwde blikken naar Cor en daardoor ook naar mij.

Op een donderdagmorgen liepen Tijn en ik naar ons bankje. Cor zat er niet. Ik liep een stukje verder, maar hij was nergens te bekennen. Ik vroeg aan voorbijgangers of ze hem gezien hadden, maar niemand leek iets te weten. `Waarschijnlijk zichzelf doodgedronken,' antwoorde een yup uit mijn straat. Een paar dagen later bleek dat diezelfde yup de politie had gebeld omdat hij overlast zou hebben van Cor. Cor was meegenomen en had geroepen `Ik wil mijn beste vriendin gedag zeggen.' maar de politie had niet naar zijn wens geluisterd.

Nu, een jaar later zit ik nog steeds iedere ochtend op het houten bankje en hoop Cor tegen te komen. Vanaf nu altijd met een Euro in mijn zak.

Anna Leon, 5 juni 2009